Op de Ei-tribune van NAC zag ik als jong manneke jarenlang Adrie Pelkmans: linksback, geen gedoe, gewoon stevig ingrijpen en weer door. In Prinsenbeek staat hij nu, 90 jaar oud, meerdere keren per week aan het biljart, tussen een dertigtal mannen van ongeveer dezelfde leeftijd. De keu als verlengstuk van iets groters: niet het spel, maar het samenzijn is de echte motor.
Dat is opvallend, want in de westerse wereld blijken mannen boven de veertig juist steeds slechter in het onderhouden van vriendschappen. De krant meldde het onlangs weer (NRC, 14 februari 2026): na de jeugd komt er weinig bij, en wat er is, blijft vaak vrijblijvend. Alsof vriendschap iets is dat vanzelf blijft bestaan—zonder onderhoud, zonder ritueel. In Nieuw-Zeeland bijvoorbeeld is vriendschap zelden abstract. Ze krijgt vorm: samen rugbyen, vissen, op pad. Niet praten óver vriendschap, maar haar doen. De activiteit is het excuus én het cement. Wie niet op komt dagen, valt meteen op.
En dan ’t Ginneken. Koor De Zuiderlingen (dezuiderlingen.nl/) zingt wekelijks samen, maar daaronder ontstaan weer nieuwe laagjes: clubjes rond kunst, literatuur, quizzen. Dit jaar won hun eerste team de Ginnekenquiz, met als beloning een lunch bij Ome Jan. Het klinkt klein, maar hier gebeurt iets groots: vriendschap krijgt structuur, ritme, verplichting bijna—en juist daardoor blijft ze bestaan.
Drie werelden, één les: van Pelkmans’ biljarttafel tot de Nieuw-Zeelandse rugbyvelden en de Ginnekenquiz. Vriendschap is geen gevoel, maar een gewoonte. Geen herinnering, maar een afspraak. Misschien moeten we daar weer eens beginnen.